je woorden
nullen en énen, lichtzwart op vaalwit
draaien rondjes
ik weet nog een museumzaal
vol lege verfpotten
ver weg
1.2 miljoen schelpen in een cirkel gelegd
op een richel staan
zeventien muzikanten explosief
te produceren
de zwijgende zanger daalt een trap af
over 52 minuten is het voorbij
aandachtig afgebroken, verspreid
zal niets verdwijnen
slechts
de herinnering aan een wens die
niet uitkwam
zal resteren, even
in de verte klinkt een gebroken stem
de buurman verloor zijn lief
lauwwarme klanken
slenteren langs schelpen
nestelen
in behaaglijkheid van oneindig bestaan
wensdromen, misschien
maar
machinaal drentelen
gedrenkt in as is
al wat timide gevederde helden
werkelijk resteert
print het in je innerlijke
als vaag gefluister van naderbij
lichtvoetig
dansen we door porseleinen stof
immer alleen
als kolibrie tussen mieren
zilveren randje in zee van vergaan
alles zwijgt, alles is verte
kijk door nieuwe ogen, vergeet niet
te vergeten
katoenen regendruppels
liedjes over spoken
de ziel van bloemen in een vaas
gedrenkt goud
roze lucht boven gezouten haven
de geboorte van het Heel
in verf gevangen
met mijn hart als lokmiddel op een berenval
elegant analoog vervalst
lekt de laatste regenboog uit mijn schedel
bij vroeg licht
reis ik naar sneeuwbergen
luister naar een zwijgen
onbekend in mijn ontwaakte stad
lees over schouder
kreupele inkt
op lelijk papier gelekt
wijs- en schoonheden die mij
de dag in lonken
ze vertelt van
stilstaande tijd en scheurende gedachtes
dagelijks
tienduizend stappen rond Gaasperplas
een lichaam
dat vecht om vooruit te komen
met een hoofd dat opgeeft
verdriet en wanhoop drukken hand
om de laatste restjes
van haar verschroeid leven
ze vertelt van
in de mist op maandagochtend verdwijnen
terugkeren met tegenzin
soms is haar stem
niets meer dan een fluistering
zuchten van wind
in een wolkendek zonder beweging
ondertussen
sleept ze achter tijd aan, slentert ze
voort, immer voort
en ik wil helpen, ik wil duwen, ik wil trekken, ik
verspreid wijsheden zoals een paardenbloem
haar vlindervruchtjes
ik, die zoveel jaren verdween in eigen mist
vraag steeds
wat kan ik doen, wat heb je nodig, wie zal ik zijn?
en ze zegt
je doet het al, je bent het al, want
je bent er
af en toe werk ik samen met Hannah Floortje Flesseman, een Zwolse kunstenares die schitterende portretten maakt; soms dicht ik bij haar schilderwerk, soms schildert zij bij mijn woorden en zo maakte ze deze schitterende astronaut bij mijn gedicht. Ik hoop dat jullie haar net zo mooi vinden als ik.
’s Morgens
acht minuten voor zeven
tussen zwijgende keien
de lucht
zeventien tinten zachtblauw
een enkele gans
gakt glijdend langs de hemel
langzaam
diep ademhalend
heet de dag ons welkom
wat een wonder
er te zijn
het fijne van zondagochtend half acht, is dat er nog zo weinig mensen in het bos zijn; vogelgeluiden druppelen door de lucht, bestaande uit ontelbare lagen grijsblauw; de wereld is hier flinterdun, hemel en aarde inwisselbaar; waar Tome ook kijkt, hij zie niets en is verbonden met alles; iedere inademing vervult hem met nieuwe hoop; het wordt geen mooie dag, die is het al
het is een ander bos; hij kent de omgeving, maar struinde nog nooit over deze paden; op zoek naar nieuwe plekken om afwezig te zijn, voerde hij zijn kaarten aan het vuur en verdween; zomaar een pad volgend, zijn voeten achterna; het is zoals zijn vingers over het instrument bewegen, als hij speelt; zonder te weten waarheen hij gaat, komt hij altijd in de melodie terecht
het fijne van zondagochtend half acht, is dat er nog niemand anders in het bos is; slechts de klanken in haar hoofd, die haar bewegingen leiden, terwijl ze gedachteloos op blote voeten over stoffige grond en zachte dennennaalden beweegt; armen gestrekt en licht gebogen; dit is waar Kaya stilte vindt, in de veiligheid van niets, niemand en toch alles
betekenisloze klanken dansen over haar lippen; kleine woorden, zacht zuchtend, vertellen verhalen van onbegrijpelijk leven; de uiting verscholen in haar bewegingen, wordt er slechts door benadrukt; kunst kent vele vormen en wie haar pretendeert te begrijpen, probeert te verhullen dat niemand de machinaties van een ander werkelijk kan doorgronden
het is als een droom, zelfs als een exacte kopie ervan; eentje die hij uit zijn archieven zou kunnen halen, mocht er zo een plek bestaan; een kamer in een huis waar alle gedroomde verhalen keurig gerangschikt staan in hoge boekenkasten; op alfabet of chronologie, verpakt als speelbare films, maar zonder de betrokken emoties
het is als een droom, betoverend bewegen; vanuit diverse bomen, naakt en kaal, klinkt het gehamer van spechten; vogelgezang dartelt er chaotisch omheen; fluwelen paniek of verleiding, het doet niet aan de belevenis af; ergens in de verte klinkt een sirene, heel even maar; in de zachtheid van haar ademhaling, sijpelt het besef binnen gezien te zijn
hij sluit zijn ogen, draait zich om en begint op goed geluk te lopen; enkele stappen over het pad, dan al zwervend het doffe gras in; takken grijpen naar haren, gezicht, schouders; een stam legt zijn drijvend bestaan het zwijgen op; leg u hier maar neer, neem rust; blijf achter
ze opent haar ogen, zakt door haar knieën en laat zich vallen; stof dat om haar enkels golfde, daalt op ze neer; languit, met gesloten ogen, offert ze zichzelf op aan het grijsblauw en grauwbruin; beknelt in een eeuwige omhelzing, luistert ze; leg u hier maar neer, neem rust; blijf achter.
er zweeft goud in de lucht
een scheurtje tussen grijze vertes en donzen blauw
stroken wit; puur, zacht
rafelen langs haar randen
ik wil huilen
troost vinden bij natuurschoon, verpakt in kilte
maar tranen zwijgen
rotten en roesten in mijn binnenst
bloeden
als inkt op papier
tot grijs en blauw en strookjes wit
goud kleuren
heb een beetje gehuild
vandaag
toen ik
wakkerschrok
uit een nachtmerrie vol grizzlyberen
later
het kunstwerk ontrolde dat
nu de muur siert
de poes optilde en heel voorzichtig
stevig omhelsde
eindelijk Jonah’s
zes jaar oude meesterwerk bestelde
met Typhoon mee
zong en danste let niet op mij, liefste
heb een beetje
gehuild vandaag