af en toe werk ik samen met Hannah Floortje Flesseman, een Zwolse kunstenares die schitterende portretten maakt; soms dicht ik bij haar schilderwerk, soms schildert zij bij mijn woorden en zo maakte ze deze schitterende astronaut bij mijn gedicht. Ik hoop dat jullie haar net zo mooi vinden als ik.
’s Morgens
acht minuten voor zeven
tussen zwijgende keien
de lucht
zeventien tinten zachtblauw
een enkele gans
gakt glijdend langs de hemel
langzaam
diep ademhalend
heet de dag ons welkom
wat een wonder
er te zijn
het fijne van zondagochtend half acht, is dat er nog zo weinig mensen in het bos zijn; vogelgeluiden druppelen door de lucht, bestaande uit ontelbare lagen grijsblauw; de wereld is hier flinterdun, hemel en aarde inwisselbaar; waar Tome ook kijkt, hij zie niets en is verbonden met alles; iedere inademing vervult hem met nieuwe hoop; het wordt geen mooie dag, die is het al
het is een ander bos; hij kent de omgeving, maar struinde nog nooit over deze paden; op zoek naar nieuwe plekken om afwezig te zijn, voerde hij zijn kaarten aan het vuur en verdween; zomaar een pad volgend, zijn voeten achterna; het is zoals zijn vingers over het instrument bewegen, als hij speelt; zonder te weten waarheen hij gaat, komt hij altijd in de melodie terecht
het fijne van zondagochtend half acht, is dat er nog niemand anders in het bos is; slechts de klanken in haar hoofd, die haar bewegingen leiden, terwijl ze gedachteloos op blote voeten over stoffige grond en zachte dennennaalden beweegt; armen gestrekt en licht gebogen; dit is waar Kaya stilte vindt, in de veiligheid van niets, niemand en toch alles
betekenisloze klanken dansen over haar lippen; kleine woorden, zacht zuchtend, vertellen verhalen van onbegrijpelijk leven; de uiting verscholen in haar bewegingen, wordt er slechts door benadrukt; kunst kent vele vormen en wie haar pretendeert te begrijpen, probeert te verhullen dat niemand de machinaties van een ander werkelijk kan doorgronden
het is als een droom, zelfs als een exacte kopie ervan; eentje die hij uit zijn archieven zou kunnen halen, mocht er zo een plek bestaan; een kamer in een huis waar alle gedroomde verhalen keurig gerangschikt staan in hoge boekenkasten; op alfabet of chronologie, verpakt als speelbare films, maar zonder de betrokken emoties
het is als een droom, betoverend bewegen; vanuit diverse bomen, naakt en kaal, klinkt het gehamer van spechten; vogelgezang dartelt er chaotisch omheen; fluwelen paniek of verleiding, het doet niet aan de belevenis af; ergens in de verte klinkt een sirene, heel even maar; in de zachtheid van haar ademhaling, sijpelt het besef binnen gezien te zijn
hij sluit zijn ogen, draait zich om en begint op goed geluk te lopen; enkele stappen over het pad, dan al zwervend het doffe gras in; takken grijpen naar haren, gezicht, schouders; een stam legt zijn drijvend bestaan het zwijgen op; leg u hier maar neer, neem rust; blijf achter
ze opent haar ogen, zakt door haar knieën en laat zich vallen; stof dat om haar enkels golfde, daalt op ze neer; languit, met gesloten ogen, offert ze zichzelf op aan het grijsblauw en grauwbruin; beknelt in een eeuwige omhelzing, luistert ze; leg u hier maar neer, neem rust; blijf achter.
er zweeft goud in de lucht
een scheurtje tussen grijze vertes en donzen blauw
stroken wit; puur, zacht
rafelen langs haar randen
ik wil huilen
troost vinden bij natuurschoon, verpakt in kilte
maar tranen zwijgen
rotten en roesten in mijn binnenst
bloeden
als inkt op papier
tot grijs en blauw en strookjes wit
goud kleuren
heb een beetje gehuild
vandaag
toen ik
wakkerschrok
uit een nachtmerrie vol grizzlyberen
later
het kunstwerk ontrolde dat
nu de muur siert
de poes optilde en heel voorzichtig
stevig omhelsde
eindelijk Jonah’s
zes jaar oude meesterwerk bestelde
met Typhoon mee
zong en danste let niet op mij, liefste
heb een beetje
gehuild vandaag
het magisch blauw
van acht minuten voor, tot twaalf over
zes
gedempt door nieuwe mist
over stromend van boven koude wateren
kleeft
tegen ruiten
zoetgeel verlicht van binnenuit
waar
dinsdagen vervagen tot
verlijmd verleden
met een hoofdrol, zoals steeds, voor
hoe ik je belofte mis
Begin januari maak ik een nieuwe afspeellijst aan in mijn alsmaar uitdijende muziekverzameling binnen de collectie van ’s werelds grootste streamingdienst. Ik geef de lijst een titel die overeenkomt met het eerste lied dat ik erin plaats. Dit lied, deze titel, is belangrijk. Het vat mijn jaar vooraf samen, zo zal achteraf blijken. Het jaar dat met Lovestoned (Justin Timberlake) begon, bracht mij een ‘verliefdheid’, die me alles wat ik wat ik liefhad zou kosten. Dit jaar maakte ik op 2 januari een afspeellijst die begon met Ray LaMontagne’s Be here now.
Wie mij kent, bestempelt mij als een in het moment levende. Mijn stijlvolle agenda’s zijn jaar na jaar vooraf leeg en achteraf gevuld met flarden van gedichten en tandartsafspraken. Plannen is een noodzakelijk kwaad, waar ik mij met tegenzin toe zet. Toch voel ik mijzelf steeds verder afdrijven van in het moment zijn. Van hier nu zijn. Daarom past de boodschap van Ray’s dromerige, lange Be here now mij behoorlijk goed. Als geheugensteuntje.
Is het dan de tijd die drukt of het leven dat me voorbijvliegt, dat ik het moment lijk te missen? Soms denk ik dat, als mijn spiegelbeeld een vermoeid hoofd toont. Witte groeven onder waterige ogen, bonkende koppijn boven klagende nekspieren. Toch is dat niet wat mij dwarszit. Neen, het is een beschamender werkelijkheid. Een drang die mij aanzet tot het steeds willen en/of moeten delen van al wat ik meemaak. De drang die alles in eerste plaats tot content maakt.
Vanuit mijn huis op de vierde verdieping zag ik gisteren een mooie roze gekleurde horizon, een strookje schoonheid onder donkerblauwe wolken die dreigend nieuwe neerslag beloofden. Ik rende naar buiten, vier trappen af en twee steegjes door, naar het meer, om enkele korrelige foto’s te maken. Ik wilde mijzelf wel dwingen om te blijven kijken, de schoonheid in mij op te nemen, maar ik wilde ook boodschappen doen en terug naar de warmte.
’s Avonds zag ik een film, door velen als de beste van 2025 beschouwd. Ik vermaakte me, verveelde me, vormde een mening en bleef wat verward achter. Tijdens een wat mindere scène las ik in de krant de zin ‘Alles is in de eerste plaats content’. Het was een bijzin in een artikel over de foto’s van Maduro en hoe een TikTok-leger klaarstaat om de werkelijkheid te meme-ficeren (mijn woord). Ik selecteerde de zin, maakte een screenshot en wilde het op social media zetten. Als verwijt, als wijzende vinger; dit is wat we (jullie!) doen. We leven niet, we maken doelbewust een online dagboek vol mooie, grappige, stoere filmpjes, waar alle lelijke werkelijkheid uit verwijderd is.
Ik plaatste het screenshot niet, de ironie ervan haalde me bijtijds in. Vanmorgen in bed dacht ik erover na; wat maakte dat dit mij zo raakte en tot handelen aanzette. Meer nog dan een verwijt aan de wereld, is het een verwijt aan mijzelf. Bij elk gedicht en verhaal dat ik schrijf, vraag ik mij af; kan ik dit delen? Bij elk mooi lief of boek, vraag ik mij af; zal ik dit delen? Bij elke zonsondergang, nou dat dus..
Waarom ik dat wil? Als ambitieuze schrijver/dichter denk ik steeds dat sociale media een onmisbaar element van mijn zichtbaarheid moeten zijn. Ik wil gezien, gelezen en gehoord worden en internet heeft de potentie van een miljoenenpubliek. Die verleiding is haast onweerstaanbaar. Dat mijn werk amper gezien of gelezen wordt, blijf ik steeds op pijnlijke wijze ontdekken. Dus ga ik harder mijn best doen om gezien te worden. De kenners vertellen dat selfies en kijkjes in keukens gewaardeerd worden, dus ga ik mijzelf open en bloot geven in simplistische selfshots en laat ik zien wat mij inspireert.
Wat mooi aansluit bij een tweede reden tot zenden: mijn liefde voor schoonheid. Ik ben altijd een zendeling geweest. Mooie muziek, geweldige boeken, fijne kunst, maar ook bloeiende bloemetjes; ik verspreid ze vanuit mijn enthousiasme. Dit is zó bijzonder, dit moet je horen, zien, ervaren, ondergaan. Dat geldt ook voor de wereld als geheel. Half december liep ik ’s morgens een week lang naar mijn werk langs allemaal kale tuinen en ergens één fier bloeiende rode roos. Ik wilde haar op de foto zetten, delen met de wereld en er het liefst nog een pakkende, positieve boodschap aan vastlijmen. Ik deed het niet
, want zo wil ik niet zijn. Als ik de wereld wil overtuigen van mijn visie; dat het leven in het écht veel mooier is dan online, kijk op van je scherm en zie het bestaan voor je neus. Dan kan ik dat toch niet via datzelfde scherm doen? *
Daar komt nog bij dat het in mij allerlei vervelende automatismen aanzet. Het doet me naar buiten rennen om wazige foto’s van een roze zonsondergang te maken die in het écht duizendmaal mooier is, in plaats van er in stilte bij te genieten. Het doet me schermafbeeldingen maken van een pakkende zin in een krantenartikel tijdens het filmkijken. Tot mijn hoofd onbewust op dat punt komt, waar die ene zin uit dat artikel de vinger op de zere plek legde; alles is in de eerste plaats content.
Wil ik de wereld echt helpen loskomen van het gif dat sociale media heet, dan zal ik eerst mijzelf moeten redden. Ook zal mijn schrijversdoorbraak niet komen van een zonsondergang of citaat uit de krant. Het leven is geen content voor sociale media, het voelt bespottelijk dat ik mijzelf hieraan moet herinneren, maar het moet. Het leven is om te leven en misschien om over te schrijven. Waarvan akte.
* die rare witregel na “ik deed het niet” is een bewuste keuze
kleine fictie is een podcastserie waarin ik zelfgeschreven verhalen vertel, alles met de helpende hand van vriend, muzikant en geluidstechnicus Jan-Anne van der Wel. Vandaag kwam de 13e aflevering online: "is dat dan wat liefde is"
Sommige verhalen zijn eerder gepubliceerd in verhalenbundels of hebben ooit op deze website gestaan, andere zijn gloedje spiksplintertje nieuw; luisteren dus!
zomaar
woensdagmiddag ergens
tussen drie en vijf
schreef ik
mijn vierentwintig mooiste woorden
om pas acht jaar later
te beseffen
dat ik jou ermee verloor
Geroezemoes. Als de man begint te zingen, duwt zijn stem alles naar achteren. Na enkele zinnen zoemt een trompet zwoel door de zaal. Verstilling treedt op. Het zijn korte noten die lang natrillen. Het stemmige geheel vertelt een bevreemdend verhaal van clowns en schoenen in schaarse woorden, tot de zanger opnieuw zwijgt en klanken even vervliegen. De trompet zet weer in, scherp dit keer. Gouden schittering eist aandacht. Kort applaus, haast beschaamd gejoel. Zaallichten branden fel. Ergens denderen bas en drums en een tweede trompet achter de solist aan. Een stem, twee stemmen, drie stemmen mompelen of mopperen of beide. Dan is het voorbij. Vertederde verbazing resteert.
doop voeten in water
voel kou langs kuiten omhoog kruipen
verlang naar Lissabon
beschreven in
eeuwoudse dagboekflarden
waar de zee als
kwaal en medicijn fungeert
stilstaand leven beweegt
tot verdriet
de mens niet leert
zette ramen wagenwijd
voor jou
vlinder mijn
maar
al wat mij vindt, zijn
bloeddieven en haatdragers
misschien
zocht je mij allang niet meer
zoals ik jou