aaprijdtkever.nl is een project van Jeroen; schrijver (dd,hn).
verhalenverteller (kleine fictie). gangkastpoëet (addz). amateur-astronaut.

heb een beetje gehuild
vandaag
toen ik
wakkerschrok
uit een nachtmerrie vol grizzlyberen
later
het kunstwerk ontrolde dat
nu de muur siert
de poes optilde en heel voorzichtig
stevig omhelsde
eindelijk Jonah’s
zes jaar oude meesterwerk bestelde
met Typhoon mee
zong en danste
let niet op mij, liefste
heb een beetje
gehuild vandaag

dat gebeurt wel vaker
Geschreven op 13 Feb 2026


Geschreven op 13 Feb 2026


het magisch blauw
van acht minuten voor, tot twaalf over
zes
gedempt door nieuwe mist
over stromend van boven koude wateren
kleeft
tegen ruiten
zoetgeel verlicht van binnenuit
waar
dinsdagen vervagen tot
verlijmd verleden
met een hoofdrol, zoals steeds, voor
hoe ik je belofte mis
Geschreven op 10 Feb 2026


Begin januari maak ik een nieuwe afspeellijst aan in mijn alsmaar uitdijende muziekverzameling binnen de collectie van ’s werelds grootste streamingdienst. Ik geef de lijst een titel die overeenkomt met het eerste lied dat ik erin plaats. Dit lied, deze titel, is belangrijk. Het vat mijn jaar vooraf samen, zo zal achteraf blijken. Het jaar dat met Lovestoned (Justin Timberlake) begon, bracht mij een ‘verliefdheid’, die me alles wat ik wat ik liefhad zou kosten. Dit jaar maakte ik op 2 januari een afspeellijst die begon met Ray LaMontagne’s Be here now.

Wie mij kent, bestempelt mij als een in het moment levende. Mijn stijlvolle agenda’s zijn jaar na jaar vooraf leeg en achteraf gevuld met flarden van gedichten en tandartsafspraken. Plannen is een noodzakelijk kwaad, waar ik mij met tegenzin toe zet. Toch voel ik mijzelf steeds verder afdrijven van in het moment zijn. Van hier nu zijn. Daarom past de boodschap van Ray’s dromerige, lange Be here now mij behoorlijk goed. Als geheugensteuntje.

Is het dan de tijd die drukt of het leven dat me voorbijvliegt, dat ik het moment lijk te missen? Soms denk ik dat, als mijn spiegelbeeld een vermoeid hoofd toont. Witte groeven onder waterige ogen, bonkende koppijn boven klagende nekspieren. Toch is dat niet wat mij dwarszit. Neen, het is een beschamender werkelijkheid. Een drang die mij aanzet tot het steeds willen en/of moeten delen van al wat ik meemaak. De drang die alles in eerste plaats tot content maakt.

Vanuit mijn huis op de vierde verdieping zag ik gisteren een mooie roze gekleurde horizon, een strookje schoonheid onder donkerblauwe wolken die dreigend nieuwe neerslag beloofden. Ik rende naar buiten, vier trappen af en twee steegjes door, naar het meer, om enkele korrelige foto’s te maken. Ik wilde mijzelf wel dwingen om te blijven kijken, de schoonheid in mij op te nemen, maar ik wilde ook boodschappen doen en terug naar de warmte.

’s Avonds zag ik een film, door velen als de beste van 2025 beschouwd. Ik vermaakte me, verveelde me, vormde een mening en bleef wat verward achter. Tijdens een wat mindere scène las ik in de krant de zin ‘Alles is in de eerste plaats content’. Het was een bijzin in een artikel over de foto’s van Maduro en hoe een TikTok-leger klaarstaat om de werkelijkheid te meme-ficeren (mijn woord). Ik selecteerde de zin, maakte een screenshot en wilde het op social media zetten. Als verwijt, als wijzende vinger; dit is wat we (jullie!) doen. We leven niet, we maken doelbewust een online dagboek vol mooie, grappige, stoere filmpjes, waar alle lelijke werkelijkheid uit verwijderd is.

Ik plaatste het screenshot niet, de ironie ervan haalde me bijtijds in. Vanmorgen in bed dacht ik erover na; wat maakte dat dit mij zo raakte en tot handelen aanzette. Meer nog dan een verwijt aan de wereld, is het een verwijt aan mijzelf. Bij elk gedicht en verhaal dat ik schrijf, vraag ik mij af; kan ik dit delen? Bij elk mooi lief of boek, vraag ik mij af; zal ik dit delen? Bij elke zonsondergang, nou dat dus..

Waarom ik dat wil? Als ambitieuze schrijver/dichter denk ik steeds dat sociale media een onmisbaar element van mijn zichtbaarheid moeten zijn. Ik wil gezien, gelezen en gehoord worden en internet heeft de potentie van een miljoenenpubliek. Die verleiding is haast onweerstaanbaar. Dat mijn werk amper gezien of gelezen wordt, blijf ik steeds op pijnlijke wijze ontdekken. Dus ga ik harder mijn best doen om gezien te worden. De kenners vertellen dat selfies en kijkjes in keukens gewaardeerd worden, dus ga ik mijzelf open en bloot geven in simplistische selfshots en laat ik zien wat mij inspireert.

Wat mooi aansluit bij een tweede reden tot zenden: mijn liefde voor schoonheid. Ik ben altijd een zendeling geweest. Mooie muziek, geweldige boeken, fijne kunst, maar ook bloeiende bloemetjes; ik verspreid ze vanuit mijn enthousiasme. Dit is zó bijzonder, dit moet je horen, zien, ervaren, ondergaan. Dat geldt ook voor de wereld als geheel. Half december liep ik ’s morgens een week lang naar mijn werk langs allemaal kale tuinen en ergens één fier bloeiende rode roos. Ik wilde haar op de foto zetten, delen met de wereld en er het liefst nog een pakkende, positieve boodschap aan vastlijmen. Ik deed het niet

, want zo wil ik niet zijn. Als ik de wereld wil overtuigen van mijn visie; dat het leven in het écht veel mooier is dan online, kijk op van je scherm en zie het bestaan voor je neus. Dan kan ik dat toch niet via datzelfde scherm doen? *

Daar komt nog bij dat het in mij allerlei vervelende automatismen aanzet. Het doet me naar buiten rennen om wazige foto’s van een roze zonsondergang te maken die in het écht duizendmaal mooier is, in plaats van er in stilte bij te genieten. Het doet me schermafbeeldingen maken van een pakkende zin in een krantenartikel tijdens het filmkijken. Tot mijn hoofd onbewust op dat punt komt, waar die ene zin uit dat artikel de vinger op de zere plek legde; alles is in de eerste plaats content.

Wil ik de wereld echt helpen loskomen van het gif dat sociale media heet, dan zal ik eerst mijzelf moeten redden. Ook zal mijn schrijversdoorbraak niet komen van een zonsondergang of citaat uit de krant. Het leven is geen content voor sociale media, het voelt bespottelijk dat ik mijzelf hieraan moet herinneren, maar het moet. Het leven is om te leven en misschien om over te schrijven. Waarvan akte.



* die rare witregel na “ik deed het niet” is een bewuste keuze
Geschreven op 02 Feb 2026


kleine fictie is een podcastserie waarin ik zelfgeschreven verhalen vertel, alles met de helpende hand van vriend, muzikant en geluidstechnicus Jan-Anne van der Wel. Vandaag kwam de 13e aflevering online: "is dat dan wat liefde is"


Sommige verhalen zijn eerder gepubliceerd in verhalenbundels of hebben ooit op deze website gestaan, andere zijn gloedje spiksplintertje nieuw; luisteren dus!
Geschreven op 20 Jan 2026


gewikkeld in afwezigheid
ziet ze
licht vervagen, tot diepdonker
blauw resteert
in dit deel van de wereld, bestaat zwart niet meer

zoon speelt piano
aarzelende noten, verzacht door
brommende trombone
niemand had ooit
zoiets gezien in een houten huisje tegen de Noorse kust

de boeken zwijgen overdag
smoespelen pas
als de kaarsen kortstondig geuren
maar moeders gitaar
leeft in tegenovergesteld ritme, eindeloos neuriënd

zoals de dichter in het raamkozijn
zoekende
naar klinkers en mede om
greep op letters te krijgen
klampt ze zich aan klanken vast, wetende

dat men in niemandsland, naar kunsten schept
Geschreven op 17 Jan 2026


Geschreven op 09 Jan 2026


zomaar
woensdagmiddag ergens
tussen drie en vijf
schreef ik
mijn vierentwintig mooiste woorden
om pas acht jaar later
te beseffen
dat ik jou ermee verloor
Geschreven op 01 Dec 2025


hoe kan ik
omhoog kijken, van
dansende spreeuwen genieten
als mensen sterven
omwille van onbestaande bestaansmakers

misschien door
te leven
omhoog te kijken naar sierlijke spreeuwenwolken
dansend tegen helderblauw
simpelweg bestaand
kijk,
daar gaan ze weer
Geschreven op 24 Nov 2025


Geschreven op 11 Nov 2025


zeven minuten na middernacht
begraaf ik notities van
gebroken koffiemok, ongelezen boek, vogel met één geel oog
onder heel diepe sneeuw

middaguur
brengt warmte, kondigt dood aan
in enkelvoudige penstreek
kleurt uit verdronken aarde wat resteert van witte nacht

zelfzaamheid redt, maar
hoe kan ik iemand zijn zonder
woorden, muze, inkt
het licht bij noordenwind, gelikt door de golven

zonder jou
Geschreven op 02 Nov 2025


Geroezemoes. Als de man begint te zingen, duwt zijn stem alles naar achteren. Na enkele zinnen zoemt een trompet zwoel door de zaal. Verstilling treedt op. Het zijn korte noten die lang natrillen. Het stemmige geheel vertelt een bevreemdend verhaal van clowns en schoenen in schaarse woorden, tot de zanger opnieuw zwijgt en klanken even vervliegen. De trompet zet weer in, scherp dit keer. Gouden schittering eist aandacht. Kort applaus, haast beschaamd gejoel. Zaallichten branden fel. Ergens denderen bas en drums en een tweede trompet achter de solist aan. Een stem, twee stemmen, drie stemmen mompelen of mopperen of beide. Dan is het voorbij. Vertederde verbazing resteert.
Geschreven op 24 Oct 2025


doop voeten in water
voel kou langs kuiten omhoog kruipen
verlang naar Lissabon
beschreven in
eeuwoudse dagboekflarden
waar de zee als
kwaal en medicijn fungeert
stilstaand leven beweegt
tot verdriet
de mens niet leert
Geschreven op 02 Oct 2025


zette ramen wagenwijd
voor jou
vlinder mijn
maar
al wat mij vindt, zijn
bloeddieven en haatdragers
misschien
zocht je mij allang niet meer
zoals ik jou
Geschreven op 15 Sep 2025


Geschreven op 05 Sep 2025


tussen commotie
van halfvleugeligen en vogels
zweeft
betreurenswaardige melancholie
als lange zeewind over de begraafplaats
hier
hamert ze metalen tot haiku’s
bedoelt voor troost
vermengd met vleugjes verleiding
roepen haar
klanken slechts het slechtst in elkaar
ze wil
veroverd worden, maar
anti-pionierend zal
al het goeds dat we ervan dromen
fout kleuren

ze resteert in fantastische vertellingen
als antwoord op
haar beroemdste vraag;
waarom ik nooit ging
Geschreven op 31 Aug 2025


Op een plek waar ik al honderd keer aan voorbijging, bleek iets veranderd. Toen hij me voor het eerst opviel, vroeg ik me af of deze deur, een deur zoals alle andere in dit gebouw, er altijd al had gezeten. Instinctief voelde ik dat dit niet het geval was. Deze deur was nieuw, dat wil zeggen; op deze plek. De deur zelf oogde onopvallend, dezelfde beige kleur als alle andere. Wat deze echter onderscheidde, los van zijn vermogen om zomaar te verschijnen, was het bordje dat geplakt zat. Keurig in het midden, op ooghoogte voor de gemiddelde man, in dit gebouw waar vrouwen in de meerderheid waren, was een houten plaatje geplaatst. Erop stond, in verrassend sierlijke letters; alleen openen als je echt durft.

Mijn telefoon trilde. Ik las de melding, haastte mij naar de vergadering die zojuist zonder mij was begonnen en vergat de deur tot ik er enkele uren later weer voor stond. De werkdag liep op het einde, het gebouw was grotendeels verlaten. Schoonmaaksters stiefelden mompelend door de gangen. Ook ik was onderweg naar de uitgang, met een omweg langs mijn werkplek, toen ik er plots weer aan voorbijging, opnieuw besefte dat er iets was veranderd op deze plek en zo weer oog in oog stond met de deur en zijn gekke bordje. alleen openen als je echt durft. Natuurlijk durfde ik dat.

Ik legde mijn hand op de klink, die koel was en wachtte even, hield mijn adem in en concentreerde mijn gehoor. Piepend wieltje van schoonmaakkar, onverstaanbaar gemompel van schoonmaakster om de hoek, bellende collega in de verte. Ik hoorde ze en schakelde ze stuk voor stuk uit, tot het ruizen van de airco, de voorbijrijdende stadsbus en het kloppen van mijn hart resteerden. Ook deze bijgeluiden schoof ik aan de kant en toen was het stil. Ik spitste mijn oren naar de deur, maar hoorde niets. Wat er ook aan de andere kant mocht zijn, geluid maakte het niet.

Ik liet de klink los en deed een stap naar achter, bekeek de gang in beide richtingen. Nam de deuren en achterliggende ruimtes in me op en maakte een simpele rekensom. Er kon helemaal niets achter die deur zitten. De kamers sloten direct aan, de muur ertussen was weliswaar van beton, maar zeker niet metersdik. Als deze deur openging, zou ik gewoon in één van beider ruimtes uitkomen. Ik lachte. Waarom deed ik zo moeilijk over een deur, alleen maar omdat ik er nooit eerder oog voor had gehad. Vermoedelijk bestond de deur al jaren en was alleen het bordje nieuw. Grapje van een jolige collega.

Opnieuw pakte ik de klink en zonder verder na te denken, duwde ik deze omlaag. Een slot ontbrak en zo zwaaide de deur mij eenvoudig tegemoet, zoals alle andere dat doen. Erachter zat geen kantoorruimte, zoals ik verwacht had. Ook geen voorraadkast of andersoortige opslag. Er was niets. Een zwart zo intens dat ik er duizelig van werd. Ik lachte nerveus, voelde mijn hart wat harder stompen in mijn kast. Ergens in de verte rinkelde een alarm, of misschien was dit alleen maar in mijn hoofd. Dichterbij, naast mijn linkeroor klonk een stem: ‘Je hebt de deur geopend, dat was alles wat er op het bordje stond. Doe ‘m dicht en je hebt het gedurfd. Niemand zal beweren dat je bang was.’

Waarschijnlijk was dat verstandiger geweest. Sterker nog, met de kennis van nu, zou ik mijzelf willen toeschreeuwen om die klotedeur dicht te rammen, maar dat was niet wat ik deed. Nee, ik negeerde het stemmetje, dat mij misschien juist uitdaagde om te doen wat ik deed, en stapte over de drempel die uit niet meer dan een overgang van blauw tapijt naar totale duisternis bestond. Behoedzaam plaatste ik mijn voet op een onzichtbare vloer. Heel even verwachtte ik zomaar voorover te vallen, om direct te verdwijnen in het niets, terwijl boven mij de deur weer in het slot viel. Tevreden wachtend op een volgend slachtoffer. De val bleef uit en ik deed nog een stap. Alsof ik leven verwachtte in die onbestaande plek, schraapte ik opzichtig mijn keel en vroeg zo kalm als ik kon of er iemand aanwezig was.

De stilte slokte mijn stem op en de lettergrepen vervlogen in het niks. Ik had de deur wagenwijd open laten staan, maar nu ik drie, vier, vijf stappen de niet-bestaande kamer was ingegaan, was deze buiten mijn bereik en zoals dat gaat in horrorfilms, waarin je tegen het volgende slachtoffer van een of andere pestgeest wil schreeuwen het niet te doen, had ik te laat door dat de deur zichzelf aan het dichttrekken was. Niet piepend, zoals in de film, maar geruisloos. Er kwam geen klap, maar een zacht slikkend geluid, toen de stalen tong terug in haar houder glipte. De duisternis was alomvattend, verstikkend en tegelijkertijd bevrijdend. Met de wereld op slechts vijf passen afstand, ik achtte mijzelf ertoe in staat de deur terug te vinden, was ik er toch helemaal van verdwenen. Een bevreemdende waarheid.

Na een tijdje (een minuut, vijf minuten, wie zal het zeggen?) in dit eindeloze of piepkleine niemandsland te hebben gestaan, draaide ik mij om. Ik zette vijf stappen in de richting waarvan ik kwam en stak aarzelend mijn handen uit. Ik betastte muur of deur en vond uiteindelijk een kozijn. Mijn vingers zochten gretig en vonden tenslotte de deurklink. Ik drukte deze naar beneden en duwde de deur open. Ik stapte de gang in, liet de klink los en zag de deur heel zachtjes dichtgaan. Opnieuw was er een haast onhoorbaar stalen slik en toen was de deur dicht. Ik keek om mij heen, zag geen collega’s of schoonmaaksters en besloot huiswaarts te keren. De deur en haar mysteries konden wachten, mijn rammelende maag niet.

Die nacht droomde ik niet. Niet van deuren, niet van monsters of verdwaald zijn in het bos. Ik droomde niet van vissers of de wind. Niet hoe ze de paardenbloemen kaal likt en hun bestaan verspreid. Zelfs niet van huizenhoge golven die me op stranden wierpen waar ik nog nooit geweest was. Die nacht droomde ik niet.

De volgende ochtend stond ik weer voor die deur. Het was nog vroeg, de kamers en gangen van het gebouw waren nog leeg. Ik kon ongestoord naar de deur staren, het bordje met haar sierlijke letters lachte me verleidelijk toe. Opnieuw luisterde ik aandachtig, hoorde ik niets anders dan de geluiden van het leven en het kloppen van mijn hart, het suizen van bloed door mijn aderen. Ik nam de klink in mijn hand en bleef even staan. Niet zozeer besluiteloos, als juist vastbesloten. Ik zou opnieuw naar binnen gaan, vijf stappen nemen en dan de deur horen dichtslaan. Ik zou opnieuw even blijven staan, de afstand tot de wereld voelen en als de stilte zou kriebelen, als honderd mieren over mijn huid, zou ik mij omdraaien. Na de vijf stappen terug, zouden mijn zoekende handen de klink opnieuw vinden. Ik wist dat het zo zou gaan. Toen drukte ik de klink omlaag en bleek alles anders.

Eerst was er opnieuw de duisternis. Verstikkend, alomvattend. Ik zette mijn eerste weifelende passen en liet de deur achter mij dichtvallen. Na de zuchtende lik van staal in staal, sloot ik mijn ogen. Plots voelde ik de vermoeidheid van duizenden jaren. Mijn armen hingen slap langs mijn lijf, ik liet mijn hoofd achterover hangen en toen voelde ik het. Een zachte, warme luchtstroom. Alsof er zomerwind ontsnapte langs de kieren van de deur die zich een vijftal passen achter mij bevond. Ik hoorde nu ook iets. Zacht geschuifel, geschuur over de vloer. Ik kon het niet plaatsen, maar dat er leven in mijn buurt was, leek mij onbetwistbaar. Langzaam gingen de haren op mijn lijf overeind staan, toen er een diep zuchten klonk. Eenmaal, tweemaal. Toen was het weg.

Ik draaide mij om, zette en stap en plofte mijn voet neer in iets dat geen onzichtbare zwarte vloer meer was. De wereld onder mijn voeten was ongelijk en onvast. Met mijn armen en vingers gespreid zette ik een voorzichtige tweede stap. opnieuw plofte mijn voet hard neer. Dit keer knarste er iets onder mijn schoen. Het verbrijzelen van iets kleins klonk monsterlijk luid in de totale leegte van dit niet langer lege bestaan. Opnieuw was er een schurend geluid te horen. Paniek gierde inmiddels door mijn zenuwen, die in niets meer zo kalm waren als een ruim dozijn tellen geleden, toen ik als een Zenmeester één was met het niets waarin ik mij dacht te bevinden. Ik zette drie vlugge, wankele stappen en voelde de muur of deur, tastte naar de klink en vond hem. Duwde het staal, dat verrassend warm aanvoelde deze keer, naar beneden en zag de gang en haar kilblauwe ochtendlicht. Ik stapte over de drempel, liet de deur dichtvallen en vluchtte naar mijn werkplek.

Hier duwde ik een dag lang, zwetend en rillend van angst, de gang met de deur angstvallig vermijdend, papieren en elektronische brieven heen en weer, tot ik eindelijk huiswaarts keren kon. Ik at, ik sportte, ik las en gaf mij over aan een eeuwenoude vermoeidheid. Ik droomde van Atlas, de man die de wereld droeg. Ik droomde van Sisyphus in een badpak, languit op een handdoek, zijn steen vergeten. Ik droomde van een tsunami van orchideeën, velden vol en hoe ze golfden in een warme zomerwind, mij overspoelden en opslokten. Uitspuugden op een strand, waar ik op een schelp stapte. Ik droomde zoveel dat ik ’s morgens vermoeid ontwaakte. Ik verlangde naar rust, naar slaap en stilte. Toch, stond ik later die ochtend weer voor die deur.

De deur met het bordje; alleen openen als je echt durft. Ik durfde nog steeds, dat voelde ik in al mijn vezels. Ik durfde misschien nog wel meer dan hiervoor. Voordat ik de klink in mijn handen nam, zag ik al dat het weer anders was. Onder de deur zag ik een strook licht. Alsof aan de andere kant de zon volop scheen. Omdat zij achter mij aan de hemel ook al flink straalde, dacht ik dat de betovering nu wel eens verbroken kon zijn. Eindelijk kwam ik gewoon in die kamer uit die er al die tijd al achter had gezeten. Het mysterie van de donkere kamer zou ik nooit oplossen en met het verstrooien van de tijd zou ik mijzelf ervan overtuigen dat het misschien wel nooit gebeurd was. Zoals die nacht met dat laagvliegende vliegtuig of die ontmoeting met mijn favoriete schrijver, zo’n elf jaar na zijn dood.

Ik duwde de klink omlaag, de deur open, zag het goudgele licht en stapte zonder aarzelen naar binnen. Twee stappen, drie, vier, vijf. Achter mij viel de deur dicht. Niet met een lik, maar een klik. Dat weet ik nog, toch keek ik niet om. Want voor mij lonkte de zon; warm en weldadig. Ze was als tijdens die eindeloze dagen op Griekse eilanden, waar de tijd niet bestaat en niets van wat we doen gevolgen heeft. Ik rook zoet fruit en begon mij uit te kleden. Knoopte mijn overhemd los, gooide mijn schoenen van mij af. Sokken vlogen over mijn schouders en daar was het zand. Ruw en warm en zacht verwelkomend. Ik rolde mijn broekspijpen omhoog en begon te lopen. Verder van de deur af dan ik ooit gedaan had. Het zand over, de zee tegemoet. Ze lonkte in de nabije verte en ik wilde niets liever dan een duik nemen.

Nog geen tien minuten later lag ik naakt in het water. Er was hier niemand, de stilte was volledig, zelfs mijn eigen plonzen klonk ver weg. Alsof mijn oren vol watten zaten. Toen het water en ik elkaar zat werden, liet ik mij op het zand vallen. Ik droogde langzaam op, luisterde naar wat er onder het zand leefde en tuurde de horizon af. Op zoek naar schepen of windmolens die er niet waren. Aan deze kant van de deur, zo dacht ik, was ik alleen op de wereld. Een beangstigende en geruststellende gedachte ineen. Natuurlijk zou ik niet zonder de andere mensen kunnen, maar af en toe even van ze wegglippen naar dit geheime paradijsje. Dat zag ik wel zitten. Ik ging zo op in mijn fantasieën dat ik amper besefte dat de zon in het water zakte.

Pas toen het frisser werd en ik mijn kleding zocht, besefte ik dat ook hier de zon onderging. Plots dacht ik aan de deur, mijn leven aan de andere kant ervan. Zou men mij gemist hebben, gezocht hebben? Het was niets voor mij om onaangekondigd afwezig te zijn. Mijn fiets aan het hek zou geruststellend kunnen zijn. Hij is er wel, we kunnen hem gewoon even niet vinden. Terwijl ik kledingstukken over mijn schurende huid aantrok, voelde ik de zandkorrels wegglippen. Ze vielen tussen mijn tenen, die zich onwelwillend in sokken lieten proppen om daarna in schoenen te verdwijnen. Ik liep van de zee af, keek nog eenmaal om en begon door te lopen. Het kon niet ver zijn, toen ik hier arriveerde, had ik het water snel gevonden. Toch duurde het lang. Ik bleef lopen en het werd rap donkerder. Een vreemde donkerte. Maan en sterren ontbraken, alsof ik in een onderwereld was binnengeslopen.

Hoever ik ook liep, er kwam geen deur. Er kwam geen muur, waar ik langs kon tasten naar een kozijn om dan de klink te vinden. Er kwam alleen maar zand, steeds maar weer zand. Ik zag het allang niet meer, maar ik hoorde het en voelde het onder mijn voeten. Mijn benen werden moe van het ploegen door die stugge ondergrond. Ik zakte steeds een beetje weg en moest mijzelf er vervolgens weer uithevelen. De vermoeidheid waar ik vanmorgen mee op was gestaan, was terug en verdubbelde met iedere minuut die voorbij ging, terwijl paniek in golven door mijn lijf gutste. De stilte, zo sereen bij dat kalme water, was nu verstikkend. Ik wilde zingen, maar de woorden stokten in mijn keel. Ik wilde neuriën, maar mijn stembanden weigerden te trillen. Na een onbekend aantal minuten ploeteren in het donker, hield ik stil.

Ik moest een beslissing nemen. Ging ik verder, zonder te weten waar ik heenging en of ik daar ooit zou komen. Of keerde ik om, hopende dat ik het water zou kunnen vinden. Dat daar nog wel wat licht zou zijn. Maan of sterren, een restje zonlicht dat over het water stuitert. En anders in ieder geval dat vertrouwde geluid van de golven. De wetenschap dat er leven is. Beweging, verandering. Ik dacht aan Sisyphus, aan Atlas. Aan de wereld achterlaten, omdat je er genoeg van had en hoe ik nu niets anders zou willen dan er weer onderdeel van zijn, maar ondertussen stond ik hier. Armen langs mijn lijf, hoofd in mijn nek. En toen hoorde ik dat zuchten weer. Eenmaal, tweemaal. Toen was ik weg.
Geschreven op 27 Aug 2025


als ik zonder oog voor stijl of vorm
met inkt en verbeelding
leegte bestrijd
simpelweg om de wolven op afstand te houden
mijn weg naar veilige wateren te
vinden, zal
dat dan voldoende effect hebben of
drogen mijn woorden doelloos in het papier, draag ik
toegevoegd falen mee
als verse welp in mijn roedel
Geschreven op 19 Aug 2025


tussen
drieëntwintig beelden van ballerina's
trok verdriet mij aan

ze stond in de hoek, blauw te zijn
rug naar zaal
tranen in handen verborgen

ik wilde haar
zien, troosten
aanraken, omdraaien
liefhebben, maar

ze was brons
warmbloedig, ijskoud
ze toonde mij
rug en verder niets

zo dwaalde ik
langs haar overige zelven
zag
verbazing, verveling
spel en slaap

bleef staan bij
hand boven ogen
blik op verte
doopte haar; hoop
Geschreven op 10 Aug 2025


‘Meer planten?’
Isabel knikt. Zwijgend, met een lichte glimlach om haar lippen.
‘Waarom?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Waarom niet?’
Julia zwaait haar arm willekeurig rond in de krappe woonkamer.
‘Daarom niet.’
Met de beweging van haar arm, passeert ze tientallen planten. Groot, maar veelal klein. In potjes op krukjes, stoelen, de salontafel, de eettafel, de vloer en het toch al krappe aanrecht.
‘Kijk, hoe leuk deze is. Die reageert op beweging.’
Voorzichtig aait Isabel langs de tere blaadjes van een zielig lichtgroen plantje. De blaadjes trekken zich terug, vouwen in elkaar als vingers van een paar handen.
‘Ja, dat is bijzonder. Al ziet het er niet uit alsof dat verdedigingsmechanisme ‘m veel goed gedaan heeft. Moet je kijken wat een zielig ding.’

Isabel zet het plantje voorzichtig op de eettafel.
‘Ja, vind je het gek? In zo’n tuincentrum is een schatje als dit een publiekstrekker voor kinderen. Die gaan er allemaal tegenaan zitten wrijven en duwen met hun onvoorzichtige klauwen.’
Ze vist er nog twee van dezelfde soort uit haar tas. Beide nog iets armzaliger dan de eerste. De meeste dunne sprietjes die voor takken moeten doorgaan, zijn kaal. De weinige blaadjes die er nog aan zitten, hebben zichzelf dichtgevouwen. Wanhopig op zoek naar bescherming.
‘Hoeveel heb je er gekocht?’
Schouders worden weer opgehaald. ‘Ze zetten er dan een bordje bij: “beweegt bij aanraking” en vinden het gek dat iedereen er dan met zijn lompe vingers aanzit.’
Julia zucht en laat zich op de bank vallen.
‘Het zijn er dan misschien wel veel, maar ze waren heel goedkoop.’
Julia gromt. ‘Ja, natuurlijk. Moet je kijken hoe ze eruit zien! Dat ze er nog geld voor vragen, is al bijna een misdaad. Ze hadden deze gewoon moeten vermalen tot voedzame grond voor de andere planten.’
‘Dat is kannibalisme, Juul. Trouwens, ook de kneusjes verdienen het om te leven. Was er niet zo’n filosoof of schrijver die zei dat je de kwaliteit van een samenleving kunt afmeten aan hoe ze hun zwaksten behandelen?’
‘Ha, ja maar dat ging nog steeds wel over de zwakste mensen, niet over de zwakste planten.’

Isabel knoeit voorzichtig met haar kleine gietertje, eerst langs de nieuwe bewoners van hun kleine huisje en daarna bedruppelt ze de ouderen. Tevreden laat ze zich naast Julia op de bank vallen. Ze vouwen hun vingers ineen.
‘Misschien moet ik dat tuincentrum bellen en je beschuldigen van diefstal, dan laten ze je er vast niet meer naar binnen.’
Isabel lacht. ‘Dat geloven ze nooit, denk je niet dat ze me daar inmiddels kennen? Ze hebben zelfs een bijnaam voor me.’
Geschreven op 07 Aug 2025


<< Previous 1 2 Next >>

Powered by CuteNews


© 2007-2025 aaprijdtkever.nl