Het duurt even voordat ze ziet wat hij in zijn mond heeft. Spijkers. Dat verklaart waarom hij ze zo makkelijk vanuit het gras weer in zijn mond stak, nadat ze waren gevallen. Ze denkt aan de honden die hier worden uitgelaten, hoe die hun behoeftes overal doen en een voorkeur lijken te hebben voor het beeld waar de man naast staat. Spijkers tussen lippen, hamer in hand.
Voorzichtig betast hij het beeld. Op zoek naar iets, onmogelijk te onderscheiden door de afstand die tussen hen ligt. Als hij vindt wat hij zoekt, prikt hij een spijker in het beeld en hamert hij. Drie korte klappen. Hij doet een stap naar achter, bekijkt zijn werk en loopt om het beeld heen. Aan de achterzijde ervan herhaalt hij zijn handelingen. Drie korte klappen, een stap naar achteren. Hamer in hand, spijkers tussen lippen.
Dan verdwijnt hij uit zicht, achter het beeld. Ze bestudeert het beeld dat ze al tientallen malen zag, maar nooit bekeek. Het is onderdeel van de beledigingen aan het water. Met het vernieuwen van de kustlijn heeft het stadsbestuur besloten de zee te tergen met een serie wanstaltigheden, net buiten haar bereik. Hoezeer ze zich ook op de stenen te pletter werpt, graag geholpen door haar vriend de wind, de beelden blijven onbeschaamd staan. Sommige kent ze wel, maar deze niet. Ze kijkt. Opengeslagen boek in hand.
Wanneer is kunst kunst? Deze vraag heeft ze zichzelf en haar vrienden al meermaals gesteld. Zelfs zij die in de kunstsector werken of zich er hobbymatig tegenaan bewegen, de amateurmakers, vormen slechts een zwijgend publiek als ze moeilijke vragen stelt. Niet dat ze de makers hun podium niet gunt of de wijsheid in pacht denkt te hebben. Ze stelt gewoon graag vragen. De vraag die zich opdringt, nu ze dit onbegrijpelijke beeld bestudeert vanaf haar bankje, is gelaagd: wie is deze man? ze analyseert de mogelijkheden.
1. Hij is de maker van het beeld, hier om de nodige aanpassingen te doen, om het tegen de vernietigende kracht van het dreigende water te beschermen. 2. Hij is een vernietiger. Een beeldenbestormer, de spijkers verzwakken de constructie die het beeld, al dan niet op termijn, zullen doen bezwijken. 3. Hij is een kunstminner of -hater, het beeld verfraaiend of verpestend, afhankelijk van ieders smaak in deze zaak, waarbij niet uitgesloten is dat hij het tegenovergestelde van zijn doel zal bereiken. 4. Hij is een activist, gezien de nieuwe gereedschappen die hij ter hand genomen heeft, geen onmogelijke optie. De man is weer ten tonele verschenen, spuitbus in hand.
Het beeld, zo’n drie meter hoog, bestaat uit golvende vormen rond een voluptueuze kern. Het zou een vrouwenlichaam kunnen zijn, een oor of een schelp. Het kan ook helemaal niets zijn. Simpelweg een brok materiaal, neergesmeten op het gras langs de kustlijn, ter meerdere eer en glorie van de maker, vermoedelijk familie van de wethouder. De man is aan het werk gegaan. Hij kliedert met wilde strepen zilver en oranje over het beeld. Het lijken letters of symbolen, moeilijk leesbaar vanaf haar bankje. Na enkele minuten kalm kliederen, bekijkt hij het resultaat. Spuitbus in hand, armen in de zij.
Ze richt zich op haar boek. Anna is er dood, maar wordt herdacht. Haar acties worden in het geniep voortgezet door hen die haar overleefden. Bomenkap wordt noodgedwongen gestaakt. Het protest wekt een serie gelijksoortige reacties door heel het land. De schrijver meandert langs kleuren en geschiedenissen, al dan niet verbonden aan het dunne stroompje dat de restanten van Anna’s leven vormt. Tot slot vertelt de hoofdpersoon over een boek dat hij wil schrijven, het boek dat ze hiermee uitgelezen heeft. Ze staat op, rekt zich uit en kijkt rond. Ze slentert naar het beeld, de man is verdwenen. Tegenover het bordje dat ervoor staat, blijft ze staan. Armen in de zij, blik op beeld.
Het is een schelp. Om de kijker hiermee te helpen, leest ze op het bordje de naam van de maker en titel van het beeld. Schelp. Ze kijkt naar de letters die rondom op het beeld zijn achtergelaten, zes in totaal. Ze hoeft de twee op de achterkant niet te zien om te weten wat er staat. Schelp. Haar ogen zoeken de spijker die de man erin sloeg, maar vinden deze niet. Nu loopt ze om het beeld heen, ook de spijker die aan de achterzijde onderdeel van het beeld werd, is onvindbaar. Haar vingers raken voorzichtig het beeld, de verf, aan. Een dun laagje zilver blijft op wijs- en middelvinger van haar rechterhand achter. Ze kijkt naar het water, de glinstering van zonlicht op golfjes. De windmolens in de verte.
Als ze wegloopt, dringt de vraag zich weer aan haar op: wie was deze man?