Een project van Jeroen. Schrijver, dichter, Zwollenaar.


Kerstverhaal: Marlon & Kees
Er is een kindje geboren. Aan het einde van de straat bij die mensen die er net wonen. Ik ken ze nog helemaal niet, maar toch ontving ik een geboortekaartje. Dezelfde dag dat ik 's morgens vroeg de blauwe slingers achter de ramen zag, vond ik bij thuiskomst een handgeschreven kaart in de gang achter de deur. Ik was van harte welkom de kleine jongen te verwelkomen in dit aardse paradijs. Maandagavond zou er een klein feestje zijn, ik mocht meebrengen wie ik wilde en wat ik wilde. De gebruikelijke kenmerken over de nieuwe aardbewoner, gewicht en lengte, ontbraken, maar die zeiden mij toch nooit wat. Wel was er op de voorkant van de simpele kaart een tekening gemaakt. Een portret van een pasgeboren kind, gehuld in niets dan een grijze deken. Zijn ogen helderblauw. Ik vroeg mij even af of dit het kind in kwestie zou zijn en legde de kaart zonder er verder over na te denken op de schouw boven de open haard. De rest van deze dag verdween in de vergetelheid. Ik schreef mijn verplichte dagelijkse artikel voor een krant in de verte, las een boek en wandelde in de bittere kou naar de slijter op de hoek voor een hartverwarmend flesje drank en een praatje. In de tussengelegen momenten dwaalde mijn gedachten af naar de naderende feestdagen en de dreigende leegte van hun aanwezigheid. Nu mijn vader deze herfst afscheid had genomen van het leven, en ik hiermee van mijn laatste familielid, was er niemand om te bezoeken en mee te proosten. Proosten op het leven en al wat zij waard was. ik schonk voor mijzelf nog een paar kleine glaasjes in en zonder het verder te beseffen doofde de haard en verdween de dag in het zwijgende duister van weer een lange nacht.

Zondagochtend vroeg klonken de bellen door de wijk. Hoewel ik er te ver vandaan woonde om ze echte te kunnen horen, leek het toch alsof ik de stemmen van het koor al hoorde in mijn woonkamer. Ik trok de veters van mijn goede schoenen stevig aan en knoopte ze dicht. Verscholen in winterjas, achter sjaal en onder muts schuifelde ik door de vroege koude naar de gloeiende warmte van het statige gebouw enkele straten verderop. Onderweg kwam ik gezinnen tegen, de kinderen vrolijk zingend en ravottend in de verse sneeuw, de ouders gearmd erachteraan. Enkele oudere dorpsbewoners schuifelden net als ik voorzichtig door de gladde massa. Enigszins beschaamd richtte ik mij op en stapte wat zelfverzekerder voort. Ik bood een dame mijn arm aan, maar zij wees mijn gebaar af. Ik keek haar na en volgde op gepaste afstand. Ik zocht een plekje achterin, luisterde naar het gezang en de grootse verhalen van vroeger. De noten van het orgel dansten door de grote ruimte en stuiterden terug tegen de felgekleurde ramen. Na anderhalf uur waren mijn stijve billen niet rouwig dat het einde werd aangekondigd. We werden nogmaals van harte uitgenodigd voor de vele vieringen later deze week, maar ik had mijn portie klassieke hartverwarming wel gehad. Tijd voor de vloeibare variant. Eenmaal thuis liet ik het mij smaken en met mijn oude, grijze vriendin op schoot, viel ik snurkend in slaap op de bank.

Maandagochtend kleppert de brievenbus weer vroeg. Op een drafje ren ik de hal door en raap het koude papier van de vloer. Ik sla de krant open en onder het genot van een dampende beker koffie, lees mijn eigen schrijfwerk terug. Tevreden vouw ik de krant weer dicht en nestel mij voor het raam met een boek. Buiten dansen de sneeuwvlokken door de donkere straten. Bij de huizen die ik zie, zwijgen de lampen nog. De wereld ontwaakt sloom nu de dagen kort zijn en de nachten koud. Langzaam stroomt het daglicht door de kamer. De zon doet haar best de verse sneeuw te verjagen, maar het ontbeert haar aan kracht, zoals het dat mij doet om iets te maken van deze mooie winterdag. Tegen het einde van de middag klopt Paul op het raam. In zijn hand een ovenschaal en onder zijn arm twee rode flessen.
'Een stevig wijntje voor bij het konijn, langzaam opwarmen, dan smaakt 'ie het best. En als toetje een goede port, ik weet dat je ervan houdt, oude brommer.'
Ik schudt hem de hand en twijfel even over een omhelzing. Het moment is voorbij eer ik een beslissing kan nemen. Paul staat alweer in de deuropening en wijst naar zijn hond die snuffelend door mijn hal loopt.
'Donderdag haal ik haar weer op. Fijne kerst, oude vriend.'
In de woonkamer begroeten hond en kat elkaar als de oude vrienden die zij zijn. Ik nestel mij weer op de bank met een boek en even later klinkt er zacht gesnurk van beide kanten. Als de zon ons definitief verlaten heeft, ontsteek ik het vuur van de haard. Ik open de rode wijn en kijk iedere paar minuten hoe het er in de oven aan toe gaat. Tori, de hond, drentelt ongeduldig om mijn enkels. Uiteindelijk gaan we gezamenlijk aan tafel. De platenspeler zingt zachte liedjes, van stille nachten met engelenstemmen. Het konijn is zacht en perfect gekruid, de bijgevoegde spruitjes krakend vers en de jus verrukkelijk. Ik lik mijn bord bijkans af en besluit de warmte in mijn lijf te gebruiken om met de hond een flink stuk te wandelen. Tori rent door de sneeuw, duikt door de struiken en verscheurd een door de buurtkinderen gebouwde sneeuwpop. Ik kom een grote stroom mensen tegen die allen richting klooster en kerken lijken te wandelen. In de verte klinkt gezang en de warmte van het samenzijn daarbinnen is haast voelbaar. Heel even de twijfel, over het opzoeken van warmte en geborgenheid, maar ik laat het moment voorbijgaan en keer huiswaarts. Als ik mijn straat insla zie ik een bekende tekening. Het pasgeboren kindje met de blauwe ogen staart mij vanachter beslagen ramen aan. Deze keer twijfel ik niet en ik klop zachtjes op het glas. Even tuurt een onbekend gezicht het donker in. Dan vliegt de voordeur open.
'Kom binnen. Kom binnen. Buiten is het veel te koud.'
Met Tori achter mij aan, stap ik de kleine huiskamer in. De hond snuffelt aan de banken en de mokken met hete thee op tafel. Dan snuffelt ze aan de kleine baby die zachtjes ligt te snurken in een rieten mandje bij de verwarming. Er ligt een kussentje naast en Tori draait net zolang tot haar dikke, harige lijf er aan alle kanten overheen steekt. Tevreden met de warmte, gaapt ze loom en legt haar kop op haar voorpoten. Ik geef ondertussen de beide ouders een hand en bied hen mijn gelukwensen aan.
'Helaas heb ik niets voor u meegenomen. Ik was eigenlijk niet van plan aan te bellen.'
De man lacht vriendelijk en geeft mij een kop thee.
'Ga lekker zitten. We zijn al blij dat u er bent.'
Op de bank zitten twee dames. De ene blijkt een tante uit Amsterdam, de andere een oud-collega van de nieuwbakken moeder, uit Limburg. We praten wat over onszelf en luisteren naar elkaar. Nine, de trotse moeder, vertelt van de moeizame verhuizing en de eenzaamheid van het nieuwe leven dat ze hier proberen op te bouwen, terwijl haar man zich een slag in de rondte werkt om te zorgen dat ze genoeg hebben om te leven. Als de klok tien slaat, ontwaakt de kleine slaapkop en begint hij vrolijk grijnzend om zich heen te kijken. Helblauwe ogen staren even diep in de mijne en in de verte hoor ik het koor weer zingen.

Even later sta ik op om afscheid te nemen. Tori snuffelt nog even rond en rent dan langs mij heen naar buiten. In de deuropening schudt ik de hand van beide ouders en laat dan de nutteloze trouwring van mijn vinger glijden. Ik druk deze bij de vader in zijn hand.
'Echt goud. Verkoop 'm en koop wat je nodig hebt.'
Verbluft kijkt hij mij aan.
'Heel veel geluk gewenst met jullie gezin. Het is niet makkelijk, maar het is de moeite waard.'
Zijn vrouw reageert: 'Hij heeft het leven voor ons verandert. Ik zou het niet anders willen.'
Tori blaft en ik volg haar spoor. De kou lijkt eindelijk verdwenen.

Dit verhaal verscheen in de Assendorper van december 2018.
0 Comments
Posted on 23 Dec 2018 by Jeroen



© 2007-2019 aaprijdtkever.nl - Je kunt het lezen of niet.